Top of this page
Skip navigation, go straight to the content

Diagnose

Artsen hebben verschillende tests ontwikkeld om na te gaan of iemand epilepsie heeft en zo ja, over welk type epilepsie het gaat.

Soms kunnen mensen symptomen hebben die sterk gelijken op een epilepsieaanval, maar in feite veroorzaakt worden door andere aandoeningen. Vandaar kan de noodzaak bestaan om verschillende onderzoeken uit te voeren.

EEG

Met een EEG meet men de electrische activiteit in de hersenen. Het onderzoek is pijnloos en duurt ongeveer 20 minuten. Men plaatst een soort muts met electroden op het hoofd en vraagt dan aan de patiënt om een aantal eenvoudige dingen te doen : diep in en uit ademen, ogen sluiten...
Het is de test die het meest wordt gebruikt om epilepsie vast te stellen. Met een EEG kunnen afwijkingen van de elektrische activiteit van de hersenen worden opgespoord.
Indien mogelijk, dient een EEG te worden uitgevoerd binnen de 24 uur na de eerste aanval.

Wanneer het moeilijk is om de diagnose te bepalen wordt soms overgegaan tot een videomonitoring. Hierbij wordt gedurende enkele dagen een permanente EEG meting gedaan en wordt de patiënt gefilmd. Dit wordt enkel toegepast in gespecialiseerde ziekenhuizen. Het voordeel van deze techniek is dat men de veranderingen op het EEG kan vergelijken met de aanval die gefilmd werd.

Hersenscan

Eén van de belangrijkste onderzoeken om epilepsie te diagnosticeren is een hersenscan. Er bestaan verschillende soorten hersenscans, maar de meest gebruikte bij het onderzoek naar epilepsie is de CT-scan en de MRI. Een CT-scan en een MRI brengen de structuur van de hersenen in beeld, wat nuttig kan zijn om hersengezwellen, -cysten en andere structurele afwijkingen op te sporen.

Bloedproeven

Vaak wordt bij kinderen ook het bloed onderzocht. Zo kan men nagaan of er andere aandoeningen zijn die epilepsieaanvallen kunnen veroorzaken of uitlokken, zoals bloedarmoede, suikerziekte of erfelijke aandoeningen...